De overbuurvrouw en ik houden elkaar goed in de gaten. Ik om te kijken of ze niet ineens dood zit in de stoel die voor de tv staat, zij omdat ze, tja, waarom. Als ik het huis verlaat, komt ze voor het raam zwaaien. Of ze loopt even naar buiten om te vertellen dat het Haarlems Dagblad nog niet uit is, dus of ik even een half uurtje heb, dan komt ze hem in de bus gooien.
Ik kwam op deze zolderkamer om te schrijven en nog geen uur later belde ze aan dat het zolderraam open stond: of ik dat wel wist. Je weet het maar nooit met de inbraakgolf die de buurt de laatste tijd teistert.
De overbuurvrouw ken ik al mijn hele leven. Ze kwam spontaan een enorme zak drop brengen toen ik een dag schoolziek was: een groter schuldgevoel heb ik nooit meer ervaren. Toen ik geslaagd was voor mijn rijexamen kwam ze stralend de deur uit lopen om me te feliciteren, toen ik mijn eindexamen had gehaald stak ze haast hollend de straat over om me het gevoel te geven alsof ik een lintje van de koningin had gekregen.
Het huis aan de overkant kan ik uittekenen met een gevelbrede bak vol knalrode geraniums; volgens mijn ouders plant ze die al jaren niet meer. Te veel gedoe. De achtertuin die altijd vol bloeiende bloemen stond is een praktisch ingericht grasveld geworden.
Om klokslag half zes sluiten de gordijnen aan de voorzijde van het huis. Drie minuten later zijn ook de gordijnen achter het raam op de eerste verdieping dicht: ze gaat naar bed. De volgende dag zit ze weer op haar stoel en kijkt tv. Ze zit altijd op die ene stoel, de andere was het domein van haar overleden man. Die keek zelf de hele dag tv: cricket en voetbal, en als er geen cricket of voetbal was, keek hij teletekst. De overbuurvrouw liep intussen te redderen in huis. Ze schreef brieven aan vriendinnen of deed secretariaatswerk voor een van de vele kunstclubjes die ze had. Nu kijkt ze misschien ook cricket, vanaf de andere stoel. Of Oprah Winfrey, of Dr. Phil. Rond half vijf heeft ze een bord op schoot. Soms brengt ze het bord naar haar mond om zo haar eten naar binnen te schuiven. Ze kookt dus nog wel.
Als haar twee zoons bellen of ze langs zullen komen met de kleinkinderen, wimpelt ze dat af. “Dan moeten jullie toch weer in de file staan, alsjeblieft niet.” En dan hangt ze weer op. De vormeloze tent die door moest gaan voor rok boven haar pilaren van kuiten, met daarboven frêle gebloemde bloesjes, die draagt ze niet meer. Ze draagt een broek, die iets te kort oogt. Ze droeg nooit een broek. Nooit. Haar fiets, waarmee ze – in die rok – zo graag op stap ging met haar man, staat ongebruikt in de schuur, daar bij het achterommetje.
Nu kijk ik naar buiten en zie door het raam aan de overkant alleen haar pantoffels en twee blote enkels in de verder duistere kamer. De gordijnen zijn open. Ze zit op haar stoel. En ik kijk naar de overkant. Het is al acht uur geweest.











