Overkant

De overkantDe overbuurvrouw en ik houden elkaar goed in de gaten. Ik om te kijken of ze niet ineens dood zit in de stoel die voor de tv staat, zij omdat ze, tja, waarom. Als ik het huis verlaat, komt ze voor het raam zwaaien. Of ze loopt even naar buiten om te vertellen dat het Haarlems Dagblad nog niet uit is, dus of ik even een half uurtje heb, dan komt ze hem in de bus gooien.

Ik kwam op deze zolderkamer om te schrijven en nog geen uur later belde ze aan dat het zolderraam open stond: of ik dat wel wist. Je weet het maar nooit met de inbraakgolf die de buurt de laatste tijd teistert.

De overbuurvrouw ken ik al mijn hele leven. Ze kwam spontaan een enorme zak drop brengen toen ik een dag schoolziek was: een groter schuldgevoel heb ik nooit meer ervaren. Toen ik geslaagd was voor mijn rijexamen kwam ze stralend de deur uit lopen om me te feliciteren, toen ik mijn eindexamen had gehaald stak ze haast hollend de straat over om me het gevoel te geven alsof ik een lintje van de koningin had gekregen.

Het huis aan de overkant kan ik uittekenen met een gevelbrede bak vol knalrode geraniums; volgens mijn ouders plant ze die al jaren niet meer. Te veel gedoe. De achtertuin die altijd vol bloeiende bloemen stond is een praktisch ingericht grasveld geworden.

Om klokslag half zes sluiten de gordijnen aan de voorzijde van het huis. Drie minuten later zijn ook de gordijnen achter het raam op de eerste verdieping dicht: ze gaat naar bed. De volgende dag zit ze weer op haar stoel en kijkt tv. Ze zit altijd op die ene stoel, de andere was het domein van haar overleden man. Die keek zelf de hele dag tv: cricket en voetbal, en als er geen cricket of voetbal was, keek hij teletekst. De overbuurvrouw liep intussen te redderen in huis. Ze schreef brieven aan vriendinnen of deed secretariaatswerk voor een van de vele kunstclubjes die ze had. Nu kijkt ze misschien ook cricket, vanaf de andere stoel. Of Oprah Winfrey, of Dr. Phil. Rond half vijf heeft ze een bord op schoot. Soms brengt ze het bord naar haar mond om zo haar eten naar binnen te schuiven. Ze kookt dus nog wel.

Als haar twee zoons bellen of ze langs zullen komen met de kleinkinderen, wimpelt ze dat af. “Dan moeten jullie toch weer in de file staan, alsjeblieft niet.” En dan hangt ze weer op. De vormeloze tent die door moest gaan voor rok boven haar pilaren van kuiten, met daarboven frêle gebloemde bloesjes, die draagt ze niet meer. Ze draagt een broek, die iets te kort oogt. Ze droeg nooit een broek. Nooit. Haar fiets, waarmee ze – in die rok – zo graag op stap ging met haar man, staat ongebruikt in de schuur, daar bij het achterommetje.

Nu kijk ik naar buiten en zie door het raam aan de overkant alleen haar pantoffels en twee blote enkels in de verder duistere kamer. De gordijnen zijn open. Ze zit op haar stoel. En ik kijk naar de overkant. Het is al acht uur geweest.

In trance

SensationIn Rotterdam is een schip gebotst tegen de Willemsbrug. Het schip heet Sensation. Niet Panta Rei of Neeltje Jacoba, nee, Sensation. Het schip is van Alex. Hij is de kapitein. Alex vaart naar plekken als Odessa en Istanbul. Daar gaat hij van boord en dan bezoekt hij clubs, waar hij videoschermen van dance feesten bekijkt. Alex heeft geen vrouw of kinderen die op de boot wonen. De vrouwen willen dat niet meer, hè, tegenwoordig, zegt Alex. Die willen een huis op de wal, met een auto en winkels in de buurt. Daarom is hij alleen, maar dat geeft niet. Hij heeft trance-muziek. Daarmee kan hij uit de voeten. Hij vermaakt zich prima.
Elk jaar gaat Alex naar Sensation White in de Arena. Daar is het gaaf. Hij bestelt dan cassis en deint met zijn hoofd mee op de muziek, tussen tienduizenden andere witte fans. Natuurlijk was hij erbij toen Tiësto optrad op de Erasmusbrug in 2005. Vanaf zijn schip kon hij alles goed zien. Daar moet hij even aan denken als hij de Sensation de Maas op stuurt. Even droomt hij weg. Een paar jaar geleden was hij in staat om zijn eigen vrachtschip te kopen, waar nog meer containers op pasten dan op de oude Spes Nova, van zijn vader. Sensation doopte hij het schip, naar de feesten waar hij zo veel plezier maakt.
Alex zet de muziek even wat harder. Tiësto. Het publiek schreeuwt extatisch door de boxen. Dan is daar ineens die brug, die andere Rotterdamse brug. Nu zit hij in zijn stuurhut en kijkt naar de gevallen doosjes ter grootte van een stadsappartement, die nu in het water drijven. Hij kon het ook niet helpen, het kwam door de muziek. Hij was gewoon even weggezweefd.

Kaartje

Deze is dus te mooi om aan wie dan ook te sturen.

Deze is dus te mooi om aan wie dan ook te sturen.

Twaalf dagen duurt het om via de post een ansichtkaart naar de VS te sturen. Ter vergelijking: als ik nu dezelfde kaart in mijn zak steek en op het vliegtuig stap, kan ik die binnen twaalf úúr persoonlijk bezorgen. Hoe kan dat? Goed, als die kaart bij een overwoekerde schoolbus ergens in de binnenlanden van Alaska moet worden bezorgd, bijvoorbeeld bij Chris van Into The Wild – en het lijkt me dat die best een leuk kaartje had kunnen waarderen – ja, dan kan het even duren. Rekent u even mee? Eerst uit de brievenbus hier in de straat vissen, sorteren in een of ander centrum, naar Schiphol, mee met een vlucht naar keuze, aankomen ergens op een Amerikaans vliegveld, daar weer laten sorteren, dan met een truck of trein naar een kleinere plaats, daar aan een postbode geven, die op pad sturen, dan op het adres van bestemming in de brievenbus werpen. Vooruit, een dag of vier kun je daar wel voor wel uittrekken. Maar het duurt, met een beetje pech, dus twaalf van die dagen. Als je iets meer betaalt, is het ineens de helft sneller: zes dagen. Dan sturen ze je ansichtkaart met een intercity mee, in plaats van met de stoptrein. Of zo.
En dan nog iets: Lees verder

To be normal, or not to be normal.

Zes weken ontgiften met concentraties anacondabesjes, ontslakken door een regime van fijngemalen houtvezels, darmspoelingen met klysma’s, je laten opsluiten in een Tibetaans klooster op een dieet van yakmelk of spartaans overleven op avocado’s en alfalfa: in het afdwingen van die gezonde geest in een gezond lichaam lopen de liefhebberijen nogal uiteen.
Maar o wee als je onverhoopt, als experiment, besluit om gedurende een overzichtelijke periode de alcohol te laten staan – en dan niet in een afgelegen Schots kasteel, de ruimte (of zou André Kuipers wel zuigzakjes Chardonnay bij zich hebben?) dan wel een zelfgebouwde zweethut op de Mongoolse toendra, maar in de onveranderde habitat van de Amsterdamse kroegengordel.

Lees verder

Ovidius’ Siësta

Hoezee, na jaren eindelijk weer het mooiste gedicht van Ovidius teruggevonden, een sluitend bewijs dat die ouwe Romeinen ook maar mensen waren. Of beschamend seksverslaafd, zou Steve McQueen opperen.

Hoogzomer was het en het middaguur juist aangebroken.
Ik lag wat uit te rusten languit op mijn bank,
het ene raamluik op een kier, het andere dichtgetrokken,
gefilterd licht, zoals soms wel in bossen hangt

of zoals hoort bij schemertijd, als Phoebus’ zon gaat kwijnen
of nacht al afscheid neemt en dag nog komen moet,
kortom, een licht dat lijkt te schijnen voor bedeesde meisjes,
wanneer hun aarzelende schaamte dekking zoekt.

Plots kwam Corinna binnen in een wolk van lichte kleren,
het haar sloot golvend om haar hals van parelmoer;
de koningin van Babylon, voortschrijdend naar het bruidsbed,
zo mooi. Zo mooi als Laïs, veelaanbeden hoer.

Ik rukte aan haar kleren die toch al niet veel verhulden.
Zij, zich verwerend, snoerde ze juist strakker aan,
maar ‘t was de afweer van een vrouw die niet wil triomferen
en zich met zelfverraad gemakkelijk laat verslaan.

Haar kleren vielen op de grond. Daar stond ze en mijn ogen
zagen haar weelde, de volmaakte lijn ervan;
haar schouders en haar armen, die ik zien mocht, die ik streelde,
haar tepels – wat een willig speelgoed in mijn hand!

Die strakgespannen buik onder haar stijf-omsnoerde borsten,
die heupen, wat een heupen! En haar meisjesbeen!
Maar moet ik alles noemen? Ik zag niets dat niet ontroerde
en trok haar naakt heel dicht tegen mijn naaktheid aan …

Wat volgt weet iedereen. Wij vielen uitgeput in slaap en
nu mag het vaak in ‘t middaguur hoogzomer slaan! 

(uit: Amores I, 5, vertaald door M. d’Hane-Scheltema; voor de liefhebber of nostalgievertaler hieronder het Latijnse origineel: )

Lees verder

Eropuit

“Je moet er eens uit.”

“Misschien moet ik er eens uit.”

“Gewoon, je stapt in de trein en dan stap je weer uit. Lekker een boek lezen in een hotel.”

“Ik wil een bad. Verder niks.”

“Een hotel met een bad, dan. Kijk, hier is een aanbieding. Jezus dat kost niks. Oh wacht. Het ontbijt is dertig euro. En het eerste café is tien kilometer verder.”

“En een eiland dan? Dat lijkt me leuk. Oh, het gaat wel regenen.”

“Dat hoort. Dan moet je met kaplaarzen afzien en daarna opdrogen bij een open haard. Of we gaan naar de Veluwe. Een hert vangen en opeten. In zo’n knus familiehotel.”

“Dat is ook dichterbij.”

“Mja, maar wel afgelegen, zo in die bossen.”

“Nou en?”

“Dan zitten er alleen van die bejaarde hotelgasten. Als je al geluk hebt.”

“Als er maar een bar is. En een bad.”

“Maar straks heb ik geen zin meer om naar jouw hoofd te kijken.”

“Iets met couleur locale.”

“Oh hee, dit dan. Het is een beetje duur. Maar wel aan zee. En bij het dorp.”

“En er is een bad.”

“En er is een begraafplaats.”

“Is het niet een beetje te dol? Zo ver?”

“De boottocht is wel echt. Dan ben je toch meer weg dan normaal.”

“De Veluwe is ook wel mooi.”

 

 

Huisdier

Hebben we wel nog geschaatst dit weekend? Nee, we hebben niet geschaatst dit weekend. Wel soep gekookt voor zes personen en de rest (voor vijf personen) dus weer weggegooid, thee gedronken, aan mensen gedacht die ineens in het ziekenhuis liggen, gestofzuigd, thee gedronken, twee keer vergeten een kaartje te sturen, thee gedronken, naar een traiteur gelopen, paksap gedronken en videobanden uit de 20ste eeuw bekeken.
Er belt iemand op die vertelt dat hij afgelopen weekend de Elfstedentocht heeft geschaatst. Twee keer: zaterdag een keer, en zondag een keer. Zo kan het natuurlijk ook. Dat je zaterdagavond bij thuiskomst denkt: ‘mwah, zal ik gewoon nog een rondje doen?’ Ik zou een moord doen om de endorfine-adrenaline-feromonencocktail uit zijn bloed te drinken. Nooit maak ik wat mee. Had ik maar een kat.

 

Opera

Aaaaariaaaaa“Goedenavond! Vindt u het goed dat wij hier aanschuiven?”
“Gaat uw gang, natuurlijk.”
Een middelbaar echtpaar kijkt vriendelijk op van de soep.
“Ook zo benieuwd?”
“Nou en of! Hoewel we Korsakov al eerder hebben mogen horen in Sint Petersburg. Maar dat was ook al weer in de vorige eeuw. Ik hoor dat er nu prachtige decors zijn!”
Als op een cruiseschip stroomt de lobby/eetzaal van de Stopera langzaam vol met eters. Oudere heren met stropdas en witharige dames met strenge snit verdringen zich voor het lopend buffet. Ons gezelschap glimlacht en schenkt de complimentaire wijn in glazen.
“Wat heerlijk, Sint Petersburg. Altijd leuk om in het buitenland uit te gaan. Wij waren toevallig vorige maand in de opera van Sydney: ook héél apart. Er kwam buiten een vrouw op ons af, die gaf ons zomaar twee gratis kaartjes! Voor een soort pre-première, die nog niet voor het gewone publiek was. Schitterend, werkelijk.”
“Goh, bijzonder.” De ogen van meneer beginnen te glanzen. “Maar was u wel eens in Wenen? Daar kregen wij, vanuit het niets, toegang tot in de coulissen. Er was daar nog nooit een buitenlander geweest..! Enig, we konden zó in het strottehoofd van de tenor kijken.”
“Altijd leuk, achter de schermen. Dat vind ik zo fijn in het Muziekgebouw aan het IJ: daar is zo weinig publiek, dat je al gauw op het podium wordt uitgenodigd. Je moet er wel van houden, natuurlijk: die composities zijn wel voor de liefhebber.”
“Ja, het Muziekgebouw!”, pareert meneer. “Daar hebben we ook een tijdje een abonnement gehad. Maar het wordt echt te veel, met het Concertgebouw er ook bij. Voor je het weet ben je elke week op pad. En we hebben ook nog een dochter die in Mallorca woont, moet u weten.”
“We reizen veel”, komt mevrouw te hulp. “Afrika, bent u wel eens in Afrika geweest? We gaan graag naar Kenia en Tanzania. U was in Zuid-Afrika, zegt u? Oh nee, dat vinden wij de Beekse Bergen, haha, dat is echt een parkje, met al die hekken. In Kenia zie je soms dagen geen mens. Toeristen, die zijn zo erg: sta je rustig een troep apen te fotograferen, komt er ineens zo’n Toyota aan vol Japanners. En weet je wat? Die roepen dan: ‘We hebben al apen gehad’, en stuiven dan weer weg. De Big Five, iets anders willen ze niet zien.” Meewarig lachend lepelt het echtpaar hun soepkommen leeg. De lepel gaat weer naast het bord, het servet erop.
“Wij gaan vast naar onze plaatsen. We zitten op het tweede balkon. Daar zit je op ooghoogte met de boventitels. Ideaal. Zien we u straks weer aan tafel, bij het dessert?”
In de zaal sterft een vrouw in vier aktes.

Inhaken maar

Het reisbureau stuurt een persbericht: “Geen Elfstedentocht? Wij hebben wel elf stedentrips in de aanbieding!” Collega B. wijst op een fictieve advertentie over het gratis verwijderen van elf wratten. En dan zijn er nog de Hema en de Gamma, en een ook alvast verzonnen advertentie van een of andere reclamemaker op Marketingfacts voor Unox. Of kijk hier voor nog meer paarsebroekenlol. Fijn!

Lees verder

Werkplek

Als de verslaggever met de spreekwoordelijk wapperende sjaal terugkeert van zijn vraaggesprek met een toekomstige regent, drinken we koffie aan de lange houten tafel in de etalage. “Ik kon nog net uitwijken voor een kluner op de Herengracht”, klaagt hij. Verder gaat alles goed op mijn kersverse kantoor, dank u. De puinhopen van mijn bureau thuis zijn inmiddels haast integraal verplaatst naar dit oude winkelpand achter het gietijzeren hek, in het zijstraatje, daar bij de ophaalbrug. Het is er warm, er staan mooie lampen, en die hebben elk een eigen schakelaartje. Aan de muur hangt een raamkozijn met een spiegel erachter om in te kijken als je het niet meer weet, op een oude drukpers staan kleurige, lege archiefmappen en er is een tosti-ijzer in de vorm van Sponge Bob.
De oorwarmers/ hoofdtelefoon die elke gadgetfreak in de stad inmiddels heeft, bewijst uitstekende diensten – hoewel een gesprek uittikken van iemand die in je oren keer op keer in een hoestbui uitbreekt, niet meevalt. Mijn splinternieuwe thee-ei maakt ook een triomftocht – alhoewel de weeïge eigenschappen van de ginseng-thee me eerder doen kokhalzen dan concentreren. De slager om de hoek is blij met zijn nieuwe klandizie (wit bolletje likkepot!), in de boekhandel valt genoeg te neuzen om nooit meer aan het werk te hoeven (wel of niet alsnog HhhH kopen?) en de kantoorboekhandel heeft alvast extra notitieblokjes besteld.
Van achter zijn bureau kijkt de verslaggever peinzend over zijn bril. “Vind je het leuk hier?” Ja, zeg ik. Echt leuk. “Ik vind het ook leuk dat je er bent. Je zeurt niet.” En hij buigt zich weer over zijn aantekeningen.

Geheim

De Gouden FlorynHet mag dan wel de geruchtengordel heten, maar wat er allemaal in de hoofdstedelijke alcohol van smaragd besproken wordt blijft natuurlijk achter gesloten deuren. Het zou van weinig discretie getuigen om hier uit de doeken te doen wat De Beroepsklager zoal op zijn lever heeft – alhoewel we best een schatting kunnen maken met behulp van zijn barrekening. Dus we gaan hier helemaal niet blootgeven hoe bepaalde mensen reageren op barre kou, noch zullen we hier onthullen wie de wedstrijd adremheid wint tegen doorgewinterde cafébezoekers. Jammer, want er valt daarnaast ook nog zo veel te vertellen over geheime antiquariaten en de tol van verloren telefoons, om nog maar te zwijgen over de raadselachtige berichtendienst van bepaalde providers en de duizelingwekkende configuratie van visitekaartjes. Helaas kan ik hier verder niet in detail treden, noch het weblog van de betrokkene bekendmaken. Wel is ontdekt en vastgesteld dat de mens in staat is om vijf tonics te drinken en daar een prima humeur van kan behouden. Meer kan middels deze weg niet worden toegelicht. Ik hoop op uw vertrouwen.

Thermo-staat

ThermostaatExtreem weer. Terwijl Kamerleden volgens het oorlogsblog van de NOS de ‘ontwikkelingen’ in de ‘sneeuwellende’ ‘op de voet volgen’, ‘alert als ze zijn’; terwijl de omroep zich verbaast dat er ‘nog geen Kamervragen’ zijn gesteld en fanatiek sneeuwtrotters blijft opsporen die zijn ‘gestrand in Utrecht’ [niet bepaald een godverlaten oord, lijkt me] of hun stoere avontuur liever exclusief houden met de woorden ‘blijf thuis, het is een verschrikking’; of – ja, de misère slaat nu echt toe – reizigers treft die het allergrootste doemscenario vrezen: ‘We zitten erover te denken om een hotel te boeken’; terwijl op dat moment het KNMI eigenlijk alweer sprak van normaal winters weer, ja, het was in die tijd, precies op tijd, dat de winterharde, Amsterdamse marktkoopmannen – nee, niet alle marktkoopmannen, slechts een klein, vastbesloten groepje dat de volgende dag de Siberische temperaturen trotseerde en naar de Lindengracht ploeterde - niet terugschrokken voor wat vlokken en onmiddellijk een buitenkans van formaat herkenden. Diezelfde middag zijn ze aan de slag gegaan met hun stiften en karton om nieuwe prijskaartjes te knutselen. Lumineus, tijdig  toeslaan met arctische benodigdheden.

Dus heten tennissokken plotseling skisokken, transformeren panty’s op de markt tot ‘thermoleggings’, worden doodgewone T-shirts vorstwerende eigenschappen toegedicht en staan sokken, gemaakt van “samengesteld materiaal” ineens aangeprezen als geitenwol. En ik? Ik koop een coltrui, mijn zevende thermo-exemplaar. Ook al van ongedefinieerde stof. Creatief ondernemerschap moet beloond. En intussen wachten we geduldig af tot iemand Kamervragen stelt en het noodweer wordt beëindigd, hopelijk gevolgd door een parlementaire enquête.

Alleen nog even snel wat eten.

Lekker vleesfonduenHet avontuur. De onbekende stad. Een buitenwijk waar ooit fabrieken rookten. Daar staan we dus. Zou er ergens iets te eten zijn? Zwijgend schuifelen we over het geïmproviseerde parkeerterrein. De tocht over de keihard bevroren, besneeuwde toendra, met een fluitende poolwind om de oren en een geleidelijk stijf wordende neus leidt naar een donkere loods. Of toch? Ja daar, daar brandt een lichtje. Een oranje gloed in een etalage. Een bordje: “Restaurant”. “Kelder”. en een pijl die omlaag wijst. Binnen staat een houten bouwsel waar nog net de hoofdjes van op skaten wachtende jongens uitsteken. Er dreunt inheemse muziek. We volgen de trap naar beneden. Daar zijn de jaren zeventig uitgebroken: alles is fel oranje, gelardeerd met kekke, oh zo geinige retro vleesfonduestelletjes – in de meeste huishoudens om onduidelijke redenen welbekend van Tweede Kerstdag, kennelijk het uitgelezen moment om in gezelschap vleeshompen te frituren. (verrassend genoeg is de vleeschfondue uitgevonden in New York, waar een Zwitserse kok vet bij vet optelde en gokte dat dit reuzelfestijn wel eens een grote hit kon worden bij het ruim in het vel zittende Amerikaanse publiek – hoe dan ook)
De grote hal is een voormalige – oh exotisch! – douche- en omkleedruimte voor fabrieksmedewerkers, waarbij de bankjes zijn vervangen door lange tafels met van die doldwaze no nonsense stoeltjes erom heen. Er is geen menukaart, dus we wijzen vragend naar de fonduestelletjes. Een tikje lijzige, dikke man wijst op zijn beurt nors naar tafels aan de zijkant: alleen die zijn nog vrij. Geen vleesfondue. Is op. Is vol. Enig, wat een authentieke zaak. En we zien ook alleen maar locals, nergens andere toeristen.

We spreken de taal niet, maar schuiven verwachtingsvol aan. Rustig blijven. Niet te veel om je heen kijken. Doe wat iedereen doet. We wachten af, dat zal er wel bij horen. Hier is duidelijk een verheven vorm van hipheid en artisticiteit aan de hand. Bovendien: in deze streken is geduld heel belangrijk, genieten is een levenskunst en hier is wachten een stukje levensgebeuren. Wat zijn wij Hollanders toch vreselijk gehaast ook altijd, zeuren over menukaarten: dit is niet goed, dat is niet goed. Nee, gewoon kalm afwachten. Even in jezelf verinnerlijkt raken. Alles heeft een bedoeling.

De lijzige man nadert onze tafel. “Willen jullie nasi?” We schrikken wakker uit onze slaap/waaktoestand. “Wat is er nog meer?” “Alleen nasi.” “Eh, dan graag nasi”. Ludiek! We wachten. We wachten. Maar dat geeft niet, want, het zal ongetwijfeld voor een spotprijsje zijn: eten wat de pot schaft, eenvoud, tradities, normen en waarden. Kijk, die mensen aan dat andere tafeltje doen ook niets. Zo gaat dat hier, iedereen weet hoe het hoort, hoe het gaat. Zachtjes bespreken we de attributen in het restaurant en het inlandse personeel, dat duidelijk meerdere generaties inteelt heeft weten te trotseren. Na een louterende drie kwartier begroeten we dankbaar onze borden, een hoog opgetast bruin rijstmengsel met in plakkerige, geelbruine brei een aanpalende amorfe klomp aan een stokje. We proeven. “Mijn collega heeft het net nog even opgewarmd”, straalt de ober. Na afloop tellen we enthousiast de verschuldigde vijftig euro neer. Goed, dat is niet het eettentjesbedrag waarop we gerekend hadden, maar je moet wel de design-lampen en creatieve sfeer meewegen. Niet eerder kwamen we zo dicht in de buurt van een unieke cultuurbeleving.

IJs

HumuslaagjeOmdat het zaak is om langzaam maar zeker mijn nieuwe werkplek te ontleden, beginnen we bij het voornaamste: de ijskast. Nu goed, het allervoornaamste is natuurlijk het koffiezetapparaat, maar de handleiding daarvoor is dusdanig onverklaarbaar dat het geen pas geeft om die om hier uit de doeken te doen.
De ijskast dus. Er is eigenlijk niks bijzonders aan deze specifieke ijskast, maar het gebruik ervan deed me denken aan de toestand van ijskasten en de wereld in het algemeen. En omdat we het ijs om ons heen weer moeten missen, bieden we hier een kort kijkje in onze vertrouwde baken van vorst, sneeuw en ijs.
Ten eerste is er de standaard, natuurlijk gevormde humuslaag die in elke ijskast aanwezig is. Potjes piccalilly die na één lepel gebruik zijn blijven staan voor je-weet-maar-nooit-wanneer en het-blijft-toch-wel-goed. Dat geldt ook voor de drie halve potjes pesto, het aangebroken glas olijven en de tubes mayonaise en mosterd. Die je nooit meer gaat gebruiken want, bah, ze zijn al geopend.
Dan is er de laag ‘dood hout’, dat zich kenmerkt door diverse soorten margarine, liefst daterend van voor de eeuwwisseling; in plastic verpakte plakjes kaas met krullende randen en witte stippen; een blikje tijdloos tonijn dat eigenlijk niet gekoeld hoeft en een selectie yoghurt-in-beker met uiteenlopende jaarringen dat nog best goed is als de nood aan de man is, maar waar je liever niet aan komt. In het vriesvak een hoopvolle verzameling cornetto-ijsjes, mocht het kwik ooit weer boven nul rijzen. Het curverbakje overgebleven avondeten dat je heus nog kunt opwarmen maar nooit meer trek in hebt, vormt het sluitstuk van deze afdeling.
En dan is er de vertrouwde ‘uitspoellaag’: halflege pakken appelsap die je niet durft uit te schenken wegens funguswolkgevaar, melk die in ontbinding is, flessen cola zonder prik, roestende blikken limonadesiroop voor die mooie zomerdag, de kooksherry die je niet gebruikt. Maar toch: weggooien is zonde; en het gaat allemaal zo stinken in de buitenlucht.
Tussen al deze benodigdheden pers je met goede moed je nieuwste boodschappen. Lekker vers broodbeleg en een nieuw kuipje margarine. Klaar voor een verblijf in duistere, ijskoude vergetelheid.

Teheran airport

Plaatje_iranWie zei dat alle vliegvelden op elkaar lijken? Op Imam Khomeini International Airport in Teheran kun je je uren vergapen aan Perzische tapijten, beschilderde kamelenbot, cd’s van Richard Clayderman en met de hand ingelegde dingendoosjes. Ergerlijk alleen dat er altijd net een mafkees voor je aan de beurt is die een enorme bestelling tapijten tracht te doen. Op het vliegveld. Goed, ook ik moet van de stapels vilten bankbiljetten af die per stuk twaalf cent waard zijn.

Op de een of andere manier is elk vliegveld uitgerust met diamantwinkels, kledingzaken en tassenwinkels en zijn luchthavens nog de enige werelden waar Swatch nog hip is. Willekeurig uitgestrooide mensen. Een mollige Italiaan met ongeschoren kin draagt een Marilyn Manson shirt. Backpackers met derde-wereld-proof schoeisel. Overal grauwe gezichten van reizigers die tollen van de slaap en de weeïge lucht verspreiden van te veel koffie, bier of kantenklaarbroodjes. Op het vliegveld wordt de mens teruggeworpen op de basismens, die om wat voor reden dan ook een stuk handbagage met zich meezeult dat de gehele periode niet wordt aangebroken.

Die onbegrijpelijke plakkerigheid die samengaat met reizen. In een vettige reiscocon een houding proberen te vinden op plastic kuipstoeltjes. Een niemandsland zonder tijd, zonder daglicht, zonder besef in welk land je bent of in welke stad, laat staan welke bestemming je ook al weer had. Het enige wat je wil op een vliegveld waar je vier uur moet doorbrengen is een zacht bankje, of een bedje dat je even kunt huren. Nu doen we het met Gucci-winkels zo ver het oog reikt, gebedsruimtes in diverse religieuze smaken, ontelbare zonnebrillen, creditcardmaatschappijen, handgemaakte souvenirs en een onmenselijke hoeveelheid drank, sigaretten en chocolade.

Achter ons trekt een man hysterisch aan een sigaret, hoewel dat verboden is. En we zijn nog in Iran, hoei. Nu ja, de man zal heus geen afgehakte hand riskeren. Toch? Misschien hooguit een passende straf, amputatie van één long of zo. Ach, dan hebben we die andere nog over. Achter de levensgrote, kartonnen beeltenis van een stewardess steken we er dan in godsnaam maar eentje op.

[restje tekst, gevonden in laptop, getikt in feb 2008]

Generatie Grappig

Rebellie merkt op dat ze best vaak ‘grappig’ zegt in plaats van ‘afschuwelijk, maar dat klinkt zo onaardig’. Voorbeelden te over: “wat een grappige tuniek heb je daar aan”, “je hebt je kind Annelies genoemd? Grappig”, of “grappig dat je nog steeds met hem samen bent”. Zelf ben ik totaal in de ban van grappige dingen. Vrijwilligerswerk bij een kringloopwinkeltje van de buurtkerk met alleen maar doodarme, afgekeurde, gedrochtelijke mensen? “Grappig”. Op bezoek bij de bijbelboot waar 350 jongeren twee jaar van hun leven doorbrengen om het Woord Gods over de wereld te verspreiden? “Grappig”. Lekker wandelen in Teheran? “Grappig”. En scherpoogje R. spant de kroon: “Binnenkort ga ik eens fotograferen in de steenkolenmijnen van China. Lijkt me wel grappig”

Let op je eigendommen!

Gps04Wilt u altijd en overal kunnen checken waar uw auto /boot /brommer /scooter /vriendin /vrouw /kind zich bevindt? GPSTrackers.nl biedt de oplossing!

Met de GPS Tracker kunt u 24 uur per dag zien waar uw eigendom zich bevindt.

(ontvangen spam in den mailbox, 6 februari)

Hoe is het met….

Ineens dacht ik: hoe zou het met Margriet Hermans zijn? Dat Vlaams blok vlees die een aantal jaar geleden niet van de tv was weg te slaan? De lookalike van Ien Dales? Het alter-ego van Erica Terpstra? De pleitbezorgster van het Vlaamse lied, holebi-aanspreekpunt én federaal politica?
Een ultrakort googlerondje leverde dit op:

“Op 27 februari 2008 richt Margriet te samen met Luc Appermont, Daniël Gybels, Micha Marah, Connie Neefs, John Terra en Johan Verstreken Vlapo vzw op. Vlapo zal een aanspreekpunt worden voor de verdediging, het behoud en de promotie van het Vlaamse lied.”

Vlapo it is. En raad eens wat? Ze is net als Erica werkelijk een halve ton vet kwijtgeraakt…

Margriet Voor

Margriet_dik_2

Margriet Na

Margriet_dun_2